Masterclass 7

Kees Thijssen

De 33-29 19-23 opening

Partijen, Theorie, Damclub Van Stigt Thans Schiedam en Hoofdpagina


Een nogal verraderlijke en goed bestudeerde opening is de flankspelvariant van de Roozenburg opening 1.33-29 19-23 2.35-30 20-25. Feitelijk komt de gewone Roozenburg vanuit deze opening in de praktijk niet meer voor. De stand van diagram 1 daarentegen is inmiddels meer dan 70 keer voorgekomen. Feitelijk heeft wit behoudens het rampzalige verloop van de partij Tsjizjow - Chmiel een groot aantal speelbare zetten in deze stelling. Genoemd worden 47-41 gevolgd door 37-32, 31-26 met de ruilen 27-31/27-32, 48-42 en 50-44. Zie ook de partijnotaties.

Het vermijden van het ongelukje Tsjizjow - Chmiel is eigenlijk niet al te lastig. De zet 28-23 dient pas gespeeld te worden als het wint. Na 12.50-44 6-11 13.31-26 is zwart vrijwel gedwongen om met 27-31 of 27-32 te ruilen. Gememoreerd worden de gebeurtenissen uit de partij Tsjizjow - Elenbaas, waarin zwart meende gewoon door te kunnen spelen met 13...11-16 14.37-31 1-6 15.46-41 5-10? 16.28-23! 7-11 17.41-37 9-14 18.47-41 3-9 19.48-42 16-21 (diagram 2).

Belangrijk in dit soort standen is, dat je altijd de ruil 33-28x28 checkt. Meestal kan hij niet. Echter als hij wel kan, dan is het vaak op slag uit. Na het fantastische 20.33-28 22x33 21.39x28 18-22 22.43-39!! 22x33 23.39x28 is de zwarte situatie uitermate precair, vanwege 23...13-18 24.31x13 8x50 25.40-34 50x22 26.23-19 met vernietiging. Opgemerkt wordt dat zwart nog wat tegenstand kan bieden via het verrassende 26...25-30 met reddende hielslag op 27.34x25 13-18 28.31x13 8x30 29.25x34 12-18 en een vier om drie na 27.24x35 2-7 28.31x22 21-27 29.22x31 17-21x24 met terugwinnen van het stuk. Meer dan remise mag zwart na een dergelijk verloop niet verwachten.

Een andere opmerking die je kunt maken in dit soort standen is, dat het een wereld van verschil maakt of er 7-11 of 6-11 is gespeeld. Met schijf 6 op 7 dreigt de afwikkeling 27-32, 22-28 etc. Ook is 33-28x28 gevolgd door 18-22! nu veel minder voor wit. Hij kan alvast niet laten slaan met 43-39x28. Na sluiten met 38-33 heeft zwart de ruiltjes 13-19x18 en 13-19x19. Het dammetje na 20.33-28 22x33 21.31x22 17x30 22.26x6 33x24 is niet helemaal gratis.

Iets anders dat je altijd moet checken zijn de klassieke offers 27-32 resp. 25-30 gevolgd door 13-19. Zwart kan in diagram 3 in plaats van het gespeelde 16-21? het verrassend sterke 19...25-30! spelen. Dat dank zij de vreselijke opstelling van wit aan de lange vleugel. Na 20.24x35 zit de dam 17-21, 27-32 en 20-24 erin. Op 20.34x25 13-19 21.24x13 8x28 heeft zwart een redelijk permanente basis in het centrum. Tsjizow heeft kennelijk geen gelukkige hand met deze opening.

Het maakt erg veel uit hoeveel stukken er op bord staan. Er zijn nogal wat voorbeelden van dit spelbeeld, waarin er een stuk minder op het  bord staat. Voorbeelden zijn Dolfing - Chub en Wesselink - Gantwarg. Minder stukken blijkt vrijwel altijd in het voordeel van de witspeler.

 

De 33-29 - 19-23 opening wordt vaak volgens het schema: 1.33-29 19-23 2.35-30 20-25 3.40-35 14-20 5.44-40 10-14 6.38-33 14-19 7.30-24 19x30 8.35x24 17-22 9.42-38 11-17 10.32-28 16-21 11.41-37 21-27 gespeeld. De laatste tijd zijn er wat experimenten met het uitstellen van de ruil 32-28x28. De bedoeling is om de zwartspeler te verlokken tot de verzwakking 5-10 alvorens de aanval in te zetten. Daartoe is evenwel het best bloedige tempo 47-42 nodig. Zie Tsjizjow - Schwarzman.

 

Een belangwekkend idee vanuit deze opening is om in een vroeg stadium 40-35 en 44-40 te spelen. In 1985 speelde ik een partij tegen Rob Geurtsen. Vrijwel niemand heeft de partij gezien en op zijn juiste waarde geschat. Tijdens het uitspelen probeerde ik een reprise tegen Geert Prinsen. Deze kende het schema niet en ging vlot ten onder. Vanuit de de uitspeelstand gaat het om een zettenreeks als: 12.50-44 6-11 13.40-35 11-16 (13-19x19 geeft 37-32) 14.44-40 7-11 15.28-23 1-6 16.48-42 9-14  17.46-41 4-10 18.35-30 (diagram 4).

 

De stand is opmerkelijk weinig voorgekomen. Zwart heeft geen tempi om te wachten. Hij kan 14-19 ruilen en naar voren of naar achteren slaan. In de partij Luteijn - Geurtsen volgde 18...14-19 19.23x14 20x9 20.40-25 9-14 21.24-20 15x24 22.29x9 13x4 en wit ging vlot ten onder aan tactische wendingen. Beter is 23.31-26 of 23.33-29 en zwart heeft een groot probleem op de korte vleugel.

 

In twee andere partijen gingen de zwartspelers verder met 18...14-19 19.23x14 10x19. Het gaat dan om de afwikkeling 20.29-23 en zwart kan op drie manieren slaan. Na 20...19x28 21.31-26 20x29 22.34x21 25x34 23.40x29 16x27 24.37-31 stelt de zwarte aanval niet veel voor. Na 20...20x29 21.23x14 18-23 22.33x24 13-19 23.24x13 8x10 24.30-24 2-7 staat wit erg mooi. In het enige andere voorbeeld werd 20...18x29 21.34x14 20x9 22.31-26 25x34 23.39x30 geslagen en wit had een erg mooie omsingeling.

 

De uitspeelstand kwam zeven keer op het bord. Meerdere malen werd 31-26 gespeeld. Ook 47-41 en 37-32 kwam op het bord. Een resolute oplossing om het probleem uit de partij Tsjizow - Chmiel te vermijden, deed zich voor in de partij Luteijn - Prinsen. Wit doet daarin zoals boven vroegtijdig de oversteek 40-35 en 44-40 en heeft daarna voldoende tempi om zwart dood te laten bloeden.

 

In de partij van de Velde - Baksoellah doet wit de wat botte breekactie 47-41 en 37-32 en er ontstaat een alleszins aardige omsingeling. Uiteindelijk wint zwart. Dat evenwel wat vlotter gekund met 22...22-27 resp. 22...9-13 23.50-44 22-27. Steeds volgt er op de achterloop 37-31 een simpele schijfwinst resp. damzet ingeleid met 17-22. Een zet als 22-27 is vooral zo aantrekkelijk, omdat het transport van inactieve schijven op de zwarte lange vleugel naar de hotspot aan de korte vleugel mogelijk maakt.

 

In de partij v.d. Berg - Kos probeerde zwart de witte opbouw met 38-32 blijvend te hinderen. Uiteindelijk lukte dat niet en kwam wit goed te staan. Aangegeven werd, dat na 16...7-11 17.37-31 1-6 de zet 18.38-32 het effectiefst verhinderd is door 18...18-23 19.29x7 20x27 20.31x22 17-21; 16-21 en 13-18x35 X. Echter ook 20...8-12, 17-21 en 16-21 is een optie.

 

In de partij Andriessen - Wielaard slaagde wit erin de oversteek naar 26 te realiseren. Tijdens de bespreking van de partij werd vanuit de zaal gewezen op de mogelijkheid 24...4-10. Dat dreigt via de twee om twee 25-30x28 de aanval over te nemen. Weliswaar kan wit dan met 24-20x20 schijf 5 fixeren, maar dat is volstrekt onvoldoende compensatie voor de verpletterende zwarte aanval. Truus komt met de verdediging 25.34-30 25x34 26.39x30 20-25 27.48-42 25x34 28.24-19. Een levendig spelbeeld ontstaat. Geen groot succes voor wit is 25.23-18 12x23 26.29x18 29x29 27.34x23 13-19x10 en 48-42-42-37-32.

 

Terug naar flankspel

 

Volgende