Masterclass 14

Anatoli Gantwarg

Partijen, Theorie, Damclub Van Stigt Thans Schiedam en Hoofdpagina


Het schema van Ton Sijbrands is een buitengewoon belangrijk spelbeeld met groot potentieel. Het gaat om het schema 1.33-28 18-22 2.38-33 12-18 3.31-26 19-23 4.28x19 14x23 5.34-29 23x34 6.40x29 (diagram 1). Met een tempo minder kan het zich voordoen in de 1.32-28 18-23 2.33-29 23x32 3.37x28 17-22 4.28x17 11x22 opening. Het is ook een verschrikkelijk moeilijke en verraderlijke spelgang en bepaald niet de oplossing voor alle problemen. Zelf ben ik nogal gefascineerd door het schema en heb diverse pogingen gedaan er iets mee te doen. Ik vind het erg moeilijk. Veel controle over het spel was niet mijn deel, maar de resultaten waren redelijk. 

Om te begrijpen, waar het om gaat moeten we teruggrijpen op het bekender schema 1.32-28 18-22 2.37-32 12-18 3.41-37 7-12 4.46-41 1-7 5.31-26 19-23 6.28x19 14x23 7.32-28 23x32 8.37x28 16-21 9.41-37 21-27 (diagram 2) en er ontstaat meestal een Roozenburgstelling (of een Springeruitval). De Roozenburg staat bekend als iets beter voor zwart.

Dezelfde soort Roozenburg is mogelijk in deze opening, als wit op 5e zet de ruil 5.32-28 23x32 6.37x28 neemt. Het moge duidelijk zijn, dat de witte kansen door het gat in het centrum weinig te verwachten hebben van de Roozenburg of de Springeruitval. Het schema is bedoeld om met wit de strijd om het centrum te winnen door eerst te ruilen aan de korte vleugel en daarna pas in het centrum. Gemakkelijk kunnen reeds eerder behandelde systemen ontstaan, zoals de trampoline.

Opgemerkt moet worden, dat Anatoli geen liefhebber is van de variant 1.33-28 18-22 2.38-33 12-18 3.34-29. Zwart kan dan via de tempowinst ruil 3...19-23 4.28x19 14x34 5.40x29 een overgang bewerkstelligen met het schema uit de 32-28 18-23 33-29x28 opening. Hij wordt evenwel weinig genomen. Het schema 1.33-28 18-22 2.38-33 12-18 3.34-29 7-12 4.40-34 1-7 5.45-40 19-23 6.28x19 14x23 7.32-28 23x32 8.37x28 is minstens zo aantrekkelijk als het schema van Sijbrands. Immers de zet 31-26 is nog niet gespeeld, waardoor wit meer mogelijkheden heeft.

Vraag: Waarom is deze stelling belangrijk ? Antwoord: Het is een schema, dat zich kan voordoen vanuit tal van openingen.

Welke openingen zijn dat dan: De belangrijkste opening (met een tempo minder) is 1.32-28 18-23 2.33-29 23x32 3.37x28 17-22 4.28x17 11x22. Ook vanuit 32-28 18-22 2.37-32 12-28 3.41-37 7-12 4.46-41 1-7 5.34-29 19-23 6.28x19 14x34 7.40x29 13-19 (Verwisseling van kleuren) kan hij zich voordoen. Het gaat daarmee potentieel gezien om vele duizenden gespeelde partijen. Evenwel het schema van Sijbrands met de ruil gevolgd door de opmars van schijf 6/45 is slechts een beperkt aantal keren op het bord geweest. Deelnemers aan de masterclass kunnen dat dus beter...

Wat is het bezwaar van de andere schema's: Een cruciaal probleem in deze stelling is het gat op veld 38. Dat is behoorlijk hinderlijk. De Roozenburg uit de 32-28 18-22 opening is wellicht speelbaar voor wit. Hoewel het niet over houdt. Met een gat op veld 38 is hij veel en veel minder.

Heeft wit voordeel ? Antwoord: Nee... Maar er is wel sprake van 'spel'.

 

Luteijn  - Dolfing

Diagram 3 toont een belangrijke stelling. Wit dreigt met 32-28x28 de slag om het centrum te winnen. Zwart kan dit voorkomen met het plaatsen van een voorpost op 27. Dat is diverse malen gespeeld. De belangrijkste voorbeelden staan in het overzicht. Geconstateerd moeten worden, dat er nog veel valt te onderzoeken. De eerste partij, waarbij spelers tot de tanden toe bewapend elkaar bestreden en op de hoogte waren van de opmerkingen van Gantwarg, is de partij Luteijn - Dolfing uit Salou 2009.

Daar volgde 13...22-27 14.32x21 16x27 15.37-31 17-22 16.35-30 1-7 17.50-45 10-14 18.30-24 23-28 19.42-38 3-9 20.45-40 11-17 21.41-37 6-11 22.37-32 28x37 23.31x42 13-19 24.24x13 8x19 25.40-35 en hoewel zwart beter staat, later een relatief eenvoudige remise.

Het gaat in diagram 4 om de zetjes. Zonder deze zetjes zou positioneel gezien aan de zwarte stelling sterk de voorkeur gegeven moeten worden. Veld 17 is nog open. Als zwart erin slaagt de komende witte voorpost op 24 met 13-19x19 te ruilen en veld 13 te sluiten, dan staat hij erg goed. Aantrekkelijk lijkt 16...10-14 17.30-24 20-25. Maar dan heeft wit de tijd voor de oversteek 18.42-38 en er zit een gaatje teveel in het zwarte centrum.

Het moment voor het spelen van de zet 42-38 dient zorgvuldig gekozen te worden. Steeds moet wit voldoende verweer houden tegen de positionele dreiging 13-19x19 gevolgd door sluiten van veld 13. Het gaat daarbij om de zetjes ingeleid met 34-30. Na 16...1-7 is de zet 17.42-38 geen hoogvlieger, vanwege 17...20-25 18.30-24 3-9!! met de dreiging 13-19x19 gevolgd door 9-13. Om het zetje ingeleid met 34-30 er weer in te krijgen moet wit de verschrikkelijke zet 47-42 of 48-42 spelen.

In diagram 5 is direct 18...13-19?? 19.24x13 8x19 20.47-42 3-8 21.34-30! wel goed voor een stuk ongeacht hoe zwart slaat. Het in de stand houden van het zetje 34-30 is de reden voor wit om vanuit diagram 4 de zet (16...1-7) 17.50-45 te kiezen. Nu is 17...20-25 18.30-24 3-9 19.41-37! 13-19 20.24x13 8x19 21.34-30 25x34 22.39x30 23x25 23.33-28 hooguit houdbaar voor zwart.

Een volgend belangrijk moment in dit schema is diagram 6. Het kan zich ook voordoen met schijf 45 op 44. Steeds is de terugruil 22.37-32 de enige voortzetting, die in aanmerking komt. Leerzaam zijn de ervaring van Wieger Wesselink tegen Tsjizow tijdens een kloksimultaan. Hij speelde de zet 22.48-42 en werd verschrikkelijk ingeblikt.

Het probleem zit hem in de tempoverhoudingen. Deelnemers aan de masterclass zouden dit moeiteloos moeten kunnen uittellen. Tsjizow vervolgde met 22...20-25. Na het voor de hand liggende 22...4-10 beschikt wit over de 'redding' 23.38-32 27x38 24.43x23 22-28 25.33x22 17x30 26.34x25 20-24 27.29x20 15x24 en wit staat slecht, maar nog niet wanhopig.

In de partij ging wit naar veld 20 via (22.48-42 20-25) 23.24-20. Door de ongelukkig opstelling van de witte lange vleugel (open veld 41) geen geweldig plan.  Evenwel andere zetten zijn ook niet geweldig. Speelbaar is wellicht 23.40-35 14-20 22.45-40 9-14 23.38-32 27x38 24.43x23 22-27 25.31x22 17x30 26.35x24 en wit staat slecht maar wellicht houdbaar, doordat de aanval tegen schijf 24 niet doorslaat. Schijnoffers zoals 22.24-19 of 22.26-21 zitten er niet in. Voor beide schijnoffers is cruciaal, dat schijf 4 reeds opgespeeld is.

Sijbrands - Gantwarg

De eerste maal, dat Anatoli geconfronteerd werd met het schema was in zijn partij tegen Sijbrands in 1995. Daarin zag zwart af van het bovenstaande plan. Ook dan is hij niet geheel zonder opties.

Belangrijk is de vraag of zwart baat heeft bij een hergroepering, die ingeleid kan worden met hetzij 18-23 en 17-21x23 of met 16-21, 11-16 en 18-23x23. Zwart krijgt dan een schijf op 23. Daardoor heeft hij 'wrong dynamics' in het centrum. Het laatste plan is iets aantrekkelijker, omdat wit dan blijft zitten met een stuk op 26.

In diagram 7 koos Gantwarg voor de beginzet 15...16-21. Dat bood wit de gelegenheid zich te onttrekken aan de hergroepering via 16.42-38 11-16 17.34-30. Het alternatief is 15...4-9 en de ruil 18-23 gevolgd door 17-21x23 is niet meer te verhinderen. Wel heeft wit na de opmars 36-31-27 een erg mooie klassieke positie.

Luteijn - Gantwarg

Tijdens de training mocht ik zelf tegen Anatoli. Het resultaat viel niet tegen. Zwart speelde welbewust het afwachtende schema. Hij wilde wel eens zien wat het waard is. Anderen werden op de variant van diagram 3 gezet. Opgemerkt werd, dat de diagramstand een belangrijk moment is.

Wit besluit tot 15.47-42. Daarna krijgt zwart druk tegen de witte centrumschijf. Vermoedelijk is het beter de beslissing over de wijze waarop veld 42 gesloten wordt uit te stellen met 15.44-40. In de partij Wiersma - Watoetin volgde bijvoorbeeld 15.36-31. In de partij Scholma - Winkel werd schijf 45 op 50 gehouden en stond schijf 47 al op 42. Dat maakt een wereld van verschil.

In diagram 10 moet wit improviseren. Na 19.41-37 21-27 20.37-31 13-19 is wit een schijf kwijt.

Aanval versus verdediging en Terug naar flankspel

 

Volgende