Schiedam - Meestal eindigen wedstrijden van de bovenste vijf ploegen in 11-9, 10-10 of 9-11. Voor de eerste keer in jaren werd een concurrent overtuigend verslagen. Tegen Witte van Moort werd het 12-8. Het had weinig gescheeld en het was nog veel erger geweest. Alexander Schwarzman en Rob Clerc hadden goede tot gewonnen stellingen, die desondanks in remise eindigden. Op geen enkel bord was er sprake van een winstkans voor de bezoekers. De overwinning van Anatoli Gantwarg tegen Hans Vermin kwam tot stand in een eindspel, dat door iedereen als remise werd getaxeerd. De heren grootmeesters zijn het er nog steeds niet over eens of het nu werkelijk gewonnen was.

De eerste vraag, die ik winnaars altijd stel, is of het nu werkelijk gewonnen was. Anton van Berkel deed wat aarzelend. In deze stelling is er nog niets werkelijk aan de hand. Maar het woord 'niets' is wat overdreven. Er dreigt 30-24x24. Op 19-23 is de twee om 32-28x10 pijnlijk. De situatie wordt evenwel acuut na de ruil 34...22-28 35.32x23 19x28 van Tomasz Miksa. Schijf 28 komt zwaar onder druk te staan. Na 35.44-39 6-11 36.41-37 8-13? is het gebeurd. Nog wel speelbaar is 36...4-9  37.38-32 18-23 38.29x18 12x23.

In diagram 2 speelde wit 41.38-33. Dan is het kiezen tussen 41...18-22 met schijfverlies via 42-38-32 of 41...9-13 42.33x22 17x27 43.37-32 met vernietiging.

 

Een van de steunpilaren van Witte van Moort is Mark Podolski. Er zijn mensen, die niet helemaal begrijpen, waarom dit talent nooit een rol heeft gespeeld in het wereldkampioenschap. Zelf heb ik een remise en een nederlaag tegen hem. Ron heeft nu dezelfde score. Na afloop van de partij schreef Ron wat opmerkingen op zijn notatiebiljet, opdat ik 'recht' zou doen aan zijn partij.

De eerste opmerking is, dat de zet 19...9-13 wat onhandig is en beter vervangen had kunnen worden door 19...8-13. In deze Roozenburg aandoende opstelling heeft zwart veld 24 nog niet bezet. Daardoor kan hij zinvol de aanval openen op schijf 28. Toch is het hebben van de mogelijkheid 20-24x24 van enig belang. Na 19...8-13 had dat nog gekund. 

 

In diagram 4 werd 31...2-7 gespeeld. Ron geeft aan, dat 31...18-23 32.48-42 23x32 33.42-37 12-18 34.37x28 18-23 35.43-38 23x43 36.49x38 niet aantrekkelijk is, omdat wit zijn geofferde stuk terugwint met 41-37-32.

In diagram 5 heeft wit aan de noodrem getrokken met 32.43-38. Opgemerkt wordt, dat de damzet 32...18-23 33.26-21 23x43 34.21x32 20-24 35.49x38 14-20 36.25x23 7-11 37.30x19 22-28 38.33x22 17x46 verliezend is voor zwart.

Wit blijft flink aan de noodrem trekken. Het schijnoffer 33.26-21 is bittere noodzaak. De zwarte voorgaande zet 32...1-6 (i.p.v. 3-8) is erop gebaseerd, dat op 33.41-37 27-32 34.38x27 22x42 35.48x37 de zet 35...20-24 mogelijk is. Met schijf 3 op 8 is 20-24 geen goed idee.

Ron schrijft: Hoe kom je er nou toch weer bij dat ik dezelfde score heb als jij tegen Podolski? Ik heb nu 7 keer tegen hem gespeeld, waarvan 4 keer remise 1 keer gewonnen en 2 keer verloren. Dat is dus 6 uit 7 en beduidend beter dan die schamele 25% van jou :-)

Marino Barkel is bekend en gevreesd om de snelheid, waarmee hij speelt. Voor de tweede maal achter elkaar mocht Dirk van Schaik proberen het droog te houden. In de diagramstand speelde Marino het scherpe 18...22-28 19.33x22 17x28, Dat was de inleiding voor een scherpe en vinnige slagenwisseling. Met nog een minuut tegen drie kwartier werd de stand op de 42e zet remise gegeven. Kennelijk heeft de zwartspeler ook wat respect voor Dirk van Schaik jr of is de stelling echt niet meer te doen voor hem.

Na de ruil 18...22-28x28 ging wit verder met de aanval 20.38-32. Als hij echt op remise uit was geweest, dan was eerst 20.30-25 wellicht eenvoudiger geweest. Het stuk op veld 28 kan ook dan zodanig onder druk worden gezet, dat er van serieuze winstkansen voor zwart geen sprake is. In diagram 2 kan wit zijn aanval tegen schijf 28 niet doorzetten, vanwege 33.38-32 21-27! altijd prijs. Het schijnoffer uit de partij 33.40-35 21-27 34.36-31 27x36 35.38-32 is een manoeuvre, die op lager niveau vaak gemist wordt zowel door de verdediger als de aanvaller.

Dit is een van de posities, die kunnen ontstaan, als een witspeler probeert de Keller te ontwijken. Toevallig kwam hij vanuit een totaal andere opening op het bord. Deze stelling uit de partij Peter Hoopman - Alexander Schwarzman is 76 keer op het bord geweest. Vrijwel alle witspelers (64) vervolgen met 13.31-27 22x31 14.36x27.

Zwart kan dan zijn aanval tegen de witte korte vleugel niet openen met 14...14-20 in verband met het dammetje 32-28 en 29-24x5 X. Na 14...17-22 15.41-36 22x31 16.36x27 14-20 17.30-24 19x30 18.35x24 10-14 heeft wit het zetje 19.24-19; 27-22 en 34-30x10. In mijn analyse van mijn gewonnen partij tegen Rob Clerc van twintig jaar terug ga ik daar nog wat nader op in.

De stand na 13.31-27 22x31 14.36x27 is eveneens 76 keer op het bord geweest. Dat grotere aantal komt door zettenwisselingen. Daarvan gingen 38 spelers verder met 14...17-22 en 21 maal werd de uitval 14...23-28 gespeeld van Schwarzman. De overgrote meerderheid van de witspelers gaat verder met de achterloop 38-32. Na het opvangen door 11 zwartspelers speelden vervolgens 3 witspelers eveneens de zet 37-31. De rest ging verder met 42-38. Zwart reageert vijfmaal met 9-13 en de dreiging 18-22 maakt wit het leven zuur. Echter iets beter lijkt het idee 12-17. Dat dreigt met hetzelfde en wat extra's:

Akker,van den,J. - Ndjofang,J. Bijlmer GMA, 13-10-2003
17.38-32 13-19 18.32x23 19x28 19.42-38 12-17 20.48-42 18-22 21.27x18 9-13 22.18x20 15x44 23.43-39 44x33 24.38x29 16-21 25.49-43 21-27 26.43-38 17-22 27.29-24 7-12 28.38-32 27x38 29.42x33 28x39 30.34x43 25x34 31.40x29 10-14 32.43-38 12-18 33.37-32 14-19 34.24x13 8x19 35.29-24 19x30 36.35x24 18-23 37.45-40 2-8 38.40-34 11-17 39.47-42 8-13 40.34-29 23x34 41.32-28 22x33 42.38x40 1-1

Andere zwartspelers speelden in diagram 4 in plaats van opvangen met 13-19 de manoeuvre 17...18-23 18.29x18 13x31 19.32x23 31-36. Geen geweldig plan voor zwart. De hangende schijf op veld 10 is een enorme lastpak. Veel witspelers hebben met enig succes geprobeerd via 34-29x30 deze fout in de zwarte lange vleugel te fixeren.

Ook Schwarzman bedient zich van het idee met 12-17. Het is twee keer eerder voorgekomen. Toen gingen de witspelers (een keer Hoopman) verder met 20.30-24. Het nieuwtje 20.29-24 zal ook wel geen 'blijvertje' zijn in deze opening. Ik heb zelf zulke zetten ook wel gespeeld. De bedoeling is om vroeg of laat 43-38 gevolgd door 39-33x43x29 te spelen.

Zwart moet in diagram 7 zijn tegenstander laten gaan. Er dreigt nu 24.27-21x1. Na 23...17-21 24.42-38 21x32 25.38x27 verliest zwart een schijf door het 41-36 gevolgd door 27-21.

Helemaal voetstoots laat zwart zijn tegenstander desondanks niet ontsnappen. Hij heeft in diagram 8 de formatie 18,12,7 geformeerd om de ruil 39-33x43x29 te kunnen beantwoorden met 18-23 en mogelijkerwijs schijfwinst. 

Het resultaat van al deze inspanningen is diagram 9. Wit staat wat onder druk. Maar veel stelt allemaal niet voor. De gespeelde zet 37.33-29? werd door Alexander als 'zeer slecht' betiteld.

In diagram 10 staat zwart als gevolg van deze omissie vrijwel gewonnen. Maar de klok speelt hem parten. Het gespeelde 47...11-17 blijkt bij nader inzien niets voor te stellen. In alle eindspelen, die kunnen ontstaan is vooral schijf 17 de oorzaak dat wit weinig te vrezen heeft. Een betere kans is laten slaan gevolgd door de opmars 18-22-27-31 met kansrijk eindspel.

Het partijverloop na de vijftigste zet heeft langdurig op het bord gestaan. Niemand heeft nog een kansrijk eindspel voor zwart weten te verzinnen.

De heren hebben nog wat aandacht besteed aan diagram 11. Opgemerkt werd, dat de variant 54...13-18 55.30-24 (Op 39-34 wint 27-31x31) 10-15 56.39-34 (op 33-29 wint 37-42 en 27-32x44) 18-23 kansrijker is. Er zijn nog twee remises gevonden. Enerzijds 57.33-29 23-28 58.16-11 17x6 59.25-20 14x25 60.24-19 en wit gaat naar 2 of naar 3. Anderzijds werd door Alexander de mogelijkheid 57.34-29; 25-20; 24-19 en damhalen op 3 aangegeven.

De laatste diagramstand lijkt nog wel wat voor zwart. Maar dat is gezichtsbedrog. Als wit er doorheen kan, dan is het in alle varianten remise. Deze doorbraak mag best twee stukken kosten. Zolang de zwakke punten voor het eindspel t.w. de schijven 37 en 17 maar op het bord blijven. Aangegeven zijn de doorbraken:

Het is buitengewoon opmerkelijk, dat de gespeelde zet 21-27 in de partij Sven Winkel - Gerbrand Hessing nog niet eerder is voorgekomen. De nogal overhaastte overgang naar flankspel is nergens voor nodig. Vooral de uitspeelvariant met 3...17-22, 11-17 etc. is best gunstig voor zwart. De opening is wel tweemaal gespeeld met 17-22-27. Schwarzman won met wit tegen Koeperman na het verloop:

Schwarzman,A. - Koeperman,I. Bijlmer GMA, 20-10-1998
1.33-29 19-23 2.35-30 14-19 3.40-35 17-22 4.45-40 22-27 5.31x22 18x27 6.32x21 16x27 7.29x18 13x22 8.38-33 19-23 9.33-28 23x32 10.37x17 11x22 11.41-37 9-13 12.43-38 13-18 13.46-41 7-11 14.38-33 11-17 15.50-45 6-11 16.33-28 22x33 17.39x28 20-25 18.48-43 1-6 19.44-39 3-9 20.37-31 9-13 21.31x22 18x27 22.30-24 13-18 23.34-30 25x34 24.40x29 10-14 25.28-23 8-13 26.41-37 4-10 27.42-38 14-19 28.23x14 10x30 29.35x24 5-10 en later winst.

De overwinning naderhand had weinig te maken met de opening. Ook Heeft Hein Meijer het een keertje op het bord gehad:

Meijer,Hein - Paegle,R. Andreiko mem, 14-10-1993
1.33-29 19-23 2.35-30 14-19 3.40-35 17-22 4.45-40 22-27 5.31x22 18x27 6.29x18 13x22 7.32x21 16x27 8.37-31 19-23 9.41-37 12-18 10.31-26 10-14 11.37-31 14-19 12.46-41 9-13 13.50-45 20-25 14.30-24 19x30 15.35x24 7-12 16.34-29 23x34 17.40x29 13-19 18.24x13 8x19 19.41-37 1-7 20.37-32 11-16 21.32x21 16x27 22.42-37 6-11 23.48-42 3-8 24.38-32 27x38 25.42x33 en later remise.

Het resultaat van de witte opening is bij Schwarzman - Koeperman aanmerkelijk beter, dan wat Sven wist te bereiken.

Er is een tijd geweest, dat ik in deze opening de zet 13-18 speelde. Hans Vermin heeft tijdens een halve finale eens de ruil 34-29 gevolgd door 28-22 genomen. Tegenwoordig is een dergelijke voorzorgsmaatregel tegen Gil Salome natuurlijk volkomen overbodig. Mijn team is dolblij met elk punt, dat ik haal.

Deze stand is 419 keer voorgekomen. De meeste witspelers spelen de knoeizet 34-29 op korte afstand gevolgd door 31-27, 34-30 en 46-41. De zet 31-27 lijkt mij persoonlijk het meest logisch. Wit heeft een klein voordeeltje, doordat hij een schijf van de lange vleugel naar het centrum heeft weten te brengen. De ruil 34-29 verspilt dat voordeeltje.

 

De positie van diagram 3 geeft altijd een gewetensvraag bij mij. Wit is kennelijk van plan 34-29x30 te ruilen. Doe je er wat aan of laat je het gaan. En als je het laat gaan welk tempo dient er dan gespeeld te worden. Er zijn varianten, waarin de opbouw met 13-18 prettig is. Na 1-7 is de opbouw met 12-18 voorgoed onmogelijk. Na 2-7 heb je een schijf de verkeerde kant uitgestuurd en dan is 12-18 niet slechter. In de partij speel ik 14-20. Dat is eigenlijk wat te scherp. Maar mijn tegenstander profiteert niet. Wel is de vervolgzet 8...14-20 9.44-40 ingecalculeerd. Er dreigt dan de afwikkeling 34-29 en 28-22x25. Dat is vooral bezwaarlijk na 9...10-15. Op 9...13-18 krijgt wit de extra mogelijkheid met slaan naar veld 15. Op 9...12-18 10.34-29 23x45 11.28-22 17x28 12.32x25 10-14 kan het ook voor zwart een systeem zijn.

In de partij besloot ik de afwikkeling niet toe te laten. Maar 9...10-14 is een grote concessie. Wit kan zowel naar veld 25 als naar 29. De opmars naar 25 is vooral na 8...14-20 9.44-40 10-14 10.50-45 5-10 11.34-30 een serieuze optie. Het poortje 15/4 maakt het zwart lastig om een adequate verdediging tegen de manoeuvre 39-34-29x29 te handhaven. In mijn goede jaren speelde ik wel 11...10-15 12.30-25 13-18; 9-13 en 4-9. Naast 39-34-29x29 laat dit de manoeuvre 40-34-29x30 toe. In de partij overwoog ik vooral 12...12-18 13.37-31 2-7 14.47-41 (39-34 is een alternatief. Het zetje ingeleid met 7-12 blijft gelijk) 7-12  15.39-34 17-22 en zowel slaan naar 22 als 21 komt in aanmerking.

In deze stand speelde wit 12.34-29 23x34 13.39x30. Unaniem waren we het er thuis over eens, dat dat een prutszet is. De afwikkeling 20-25 is niet goed voor wit. Meer voor de hand ligt 34-30 of 34-29x29. Na 34-29x29 20-25x24 is de witte korte vleugel flink uitgedund. Maar zolang zwart veld 23 niet kan bezetten valt het wel mee. Op 12.34-30 13-18 13.30-25 9-13 heeft zwart de gewenste oversteek voor elkaar.

Gedurende de rest van het middenspel staat zwart wat gemakkelijk, maar veel stelt het allemaal niet voor. Ik heb gezocht naar betere mogelijkheden voor zwart. Het idee 31...8-13 32.39-34 18-22 33.27x18 13x22 34.34-30 24-29 35.33x24 20x29 36.40-34 17-21 37.32-28 leek mij beter voor wit. Wel een idee is 31...20-25 32.39-34 15-20 33.33-29 24x33 34.38x29 20-24 35.29x20 25x14 gevolgd door aanval tegen de witte lange vleugel.

Deze eindpositie is 16 keer voorgekomen. Drie spelers hebben de foutzet 51...20-25?? 62.26-21! X gespeeld. Met wit aan zet heeft de stand zich 8 keer voorgedaan. Vijf witspelers gingen verder met 28-23 en 30-25. Drie speelden direct 30-25. Het maakt allemaal weinig uit. Hoewel er een zwartspeler geweest is, die het na 28-23 en 30-25 heeft weten te verliezen.

De partij van de dag was Hans - Vermin - Anatoli Gantwarg. Het spelbeeld uit diagram 1 is tegenwoordig bekend bij elke topspeler. Op 9.43-38 was zwart 9.19-23x23 van plan. Na de partijvoortzetting 9.31-27 besloot hij de afwikkeling 9...19-23 10.28x19 14x23 11.33-28 17-22 met gering voordeel te laten voor wat hij was.

Het spelbeeld, dat daarna ontstaat is dertig jaar geleden eens het onderwerp geweest van een subtoptraining. Hans Vermin en ik waren aanwezig. Gantwarg merkt op dat het belangrijk is wie moet breken. Wanneer wit zou kunnen opbouwen met 42-37 en 48-42, dan heeft hij ten opzichte van de partij een tempo meer. Zwart is dan de degene, die zie via de opstoot 28-23 zal moeten bevrijden. Gantwarg hanteert het simpele principe, dat hij het alleen wil spelen, als de tegenstander moet breken. Hij had vastgesteld, dat de opbouw met 42-37 en 48-42 altijd verhinderd kan worden.

In diagram 2 speelde wit geen 12.41-37 vanwege 8-13 en de dreiging 18-23.

Dit is een belangrijk moment. In diagram 3 kan wit met 15.27-22 een kansrijk schijfoffer brengen. Anatoli berekende het verloop 15.27-22 18x27 16.29x18 13x22 17.34-30 2-8 18.30x19 9-13 19.40-34 13x24 20.34-30 3-9 21.30x19 9-13 22.45-40 13x24 23.40-34 12-18 24.34-30 24-29 25.33x24 20x29 en zwart houdt het stuk. Hij wist niet helemaal of hij er wel blij mee moest zijn. Hans Vermin heeft er geen moment aandacht aan geschonken.

De witte verdediging in diagram 4 is gebaseerd op het zetje 18...14-19? 19.35-30! 24x35 20.34-30 met kansrijk eindspel. Hij werd compleet verrast door het opmerkelijke ruiltje 20-25x24. Zou hij eerst 49-43 en daarna pas 41-36 hebben gespeeld, dan had wit na 18.49-43 14-19 19.41-36 10-14 20.27-22 17x28 21.33x22 24x33 22.39x28 12x21 23.26x17 18x27 24.31x22 21-26 een beetje onder druk gestaan.

In diagram 5 is wit wat in de problemen. Er dreigt schijfwinst. Op 20.33-28 24-29 21.28x19 14x23 dreigt 23-28 nog steeds. Na het gespeelde 20.33-29 24x33 21.39x19 14x23 dreigt 23-28 ook nog steeds. Maar misschien kan wit het wel toelaten. Echter na 22.38-33 neemt zwart dam met 18-22 en 21-27. Dezelfde soort manoeuvres speelden een cruciale rol in de partij, die ik drie en twintig jaar geleden remise speelde tegen Ton Sijbrands.

Na het gespeelde 22.34-29 23x34 23.40x29 18-22 is de stand volgens Gantwarg ongeveer gelijk. Schijf 29 is een handenbinder evenals de zwarte korte vleugel opsluiting. In diagram 6 dreigt zwart enigszins met de Haarlemmer.  Toch toonde Anatoli zich verbaasd over de beslissing 39-34. Logischer lijkt 30.42-38. Maar dat geeft de ruilmogelijkheid (18-22) 31-27x27 op.

 

In deze stand beschikt zwart over de manoeuvre 31...19-23 32.28x19 18-22. Hans schrok zichtbaar, toen hij de wending bemerkte. Anatoli besloot hem echter niet te nemen. Na 33.42-38 22-27 34.31x22 17x30 35.35x24 3-9 36.45-40 is het niet veel. Iets beter is 33.42-38 20-24 34.19x30 22-27. Truus vindt dat wit met schijf 29 zou moeten slaan. Soms speelt Truus net als een vrouw. De stand, die dan ontstaat is vergelijkbaar met de partijvariant.

In diagram 8 zien we de meest duidelijk remise, die zich heeft voorgedaan. Met 44.38-33 21-26 45.33-28 kan wit afwikkelen naar een stand, die hij nauwelijks meer kan verliezen. Het gespeelde 44.31-26 misschien al de beslissende fout. Er ontstaat een vijf om vijf, waarin wit voor een stuk naar dam kan. Iedereen dacht, dat het moeiteloos remise zou zijn.

 

Op dit moment liet men het woord 'moeiteloos' vallen, maar men bleef denken dat de boel remise was. In de partij haalde wit dam op de lange lijn. Daardoor kon schijf 12 naar veld 17. Met damhalen op veld 4 gevolgd door 4-10 ontstaat de positie uit de partij, maar met het verschil, dat schijf 12 nu op 18 staat. In de partij drijft wit zijn tegenstander zelfs naar veld 17. Dat verdubbelt het aantal geschikte vangstellingen voor zwart.

Als de witte schijf op 36 of 26 staat, dan kan zwart drie stukken geven voor de dam en winnen. Het opspelen van schijf 36 naar 31 maakt de boel lastiger. Zolang wit het stuk op 31 kan handhaven heeft hij weinig van de vangstellingen te vrezen.

In diagram 10 speelt wit 64.23-40 en laat zwart met schijf 13 de hoofdlijn passeren. Een belangrijk alternatief is op de hoofdlijn blijven staan. Zolang de vangstelling actief is, gaat het om de velden 37, 41 en 46. Zodra schijf 13 op 22 is gearriveerd, is de andere kant met vooral de velden 14 en 19 interessant voor de verdediging. Elke keer, dat zwart dreigt schijf 31 naar veld 26 te drijven moet er iets in zitten. We kregen wat varianten op het bord, waarbij wit op veld 36 belandt en 31-27 moet spelen. Volgens de deskundigen is het allemaal tamelijk eenvoudig voor zwart. Helaas ben ik niet zo deskundig om dit te kunnen verifiŽren. Truus zou het moeten weten met de zes stukken database, maar weigert het mij te vertellen.

Auke Scholma probeerde het tegen Peter van der Stap eveneens met de korte vleugel opsluiting zijn exemplaar was wat minder dan die van Gantwarg. Met schijf 48 op 47 zou hij eigenlijk al kunnen opgeven. Belangrijk is, dat 26.35-30 verhinderd wordt door de hielslag 26...17-22 en 14-20 X. Een zet eerder was 25.35-30 wel een optie. Echter na 25...9-13 26.40-35 kan het schijnoffer 26...29-34 27.30x39 23-28 28.32x23 19x28 en zwart wint het geofferde stuk weer terug.

In diagram 2 ging wit verder met het langzame 49-44-39. Dat gaf zwart de gelegenheid zich te bevrijden aan de lange vleugel met 15-20x10. Door het tijdelijk buiten gebruik zijn van de formaties in het centrum is 28.40-34 29x40 29.45x34 een idee.

 

Auke was van plan te reageren met 29...19-24 en dan is de tussenloop 30.25-20 verhinderd door 30...4-10 31.20x29 17-22. Op andere zetten volgt altijd 23-28. Truus is een grote fan van de terugruil 28.40-34 29x40 29.35x44. Op 29...15-20 30.25x14 10x19 is 31.38-33 winnend. Het alternatief 29...4-10 30.38-33 10-14 31.33-28 14-20 (of 23-29 van Truus) geeft wit kansen.

In diagram 3 maakt zwart zich op om de korte vleugel opsluiting te breken. De poging dit te verhinderen met 39.39-34 faalt op 39...24-30 40.35x2 20-24 41.2x30 14-19 42.30x22 17x48 43.26x17 48x3 met minstens remise voor zwart. Truus komt met het idee 39.33-28. De bevrijdingspoging 39...17-22 faalt op 40.26x17 X  Truus gaat verder met 39...8-13 40.39-33 20-25 41.43-39 24-30 42.35x24 19x30 en er zijn diverse varianten. Een fraaie remise is 43.39-34 30x39 44.33x44 25-30 45.40-35 14-19 46.35x24 19x30 47.44-39 13-19 48.45-40 19-23; 18-22; 21-27; 30-34 en 16-21=.

 

Rob Clerc met zwart tegen Herman Hilberink leek het goudhaantje van de dag. Meer dan 300 ELO punten verschil en een Molimard doorstoot. Meer kun je als grootmeester gewoon niet hopen. Reeds tot tweemaal toe heb ik een grootmeester in deze stand de zet 8...19-24 zien spelen. Tot tweemaal toe reageerde de witspeler op 9.39-33 21-26 met 10.41-37. Kennelijk nieuwe inzichten in deze stand.

Volgens Turbo dambase is 19-24 in deze stand 52 keer gespeeld en 1-7 47 keer op een totaal van 115 voorbeelden. De reden, die men voorheen had om 8...1-7 te spelen was, dat men op geen enkel moment de bevrijding 31-26 wilde toelaten. Na 8...19-24 9.39-33 21-26 hebben 20 witspelers 10.44-39 gespeeld en slechts drie speelden het scherpe 10.41-37. Na 10.41-37 24-30 zijn de statistieken niet erg goed voor wit. De stand is overigens via zettenwisselingen toch nog 16 keer voorgekomen.

In vergelijking met de normale variant heeft wit schijf 47 op 49 gekregen. Het voordeel daarvan is betrekkelijk. Schijf 47 is soms belangrijk om de lange vleugel te kunnen bevrijden. Het grootste probleem voor zwart in de hoofdvariant is de ontwikkeling van de lange vleugel via de manoeuvre 28-23, 32-28 en 37-32x31. Hier zou dat ook een rol moeten spelen. Een belangrijk verschil met de bekende variant is, dat schijf 1 nog op zijn plaats staat. Daardoor kan de voorpost op 23 krachtiger aangepakt worden. Maar met schijf 47 op 49 is de witte voorpost op 28 makkelijker te verdedigen.

In diagram 5 heeft wit vier mogelijke zetten. Voorheen gaf men de voorkeur aan 43-39 of 44-39. De reden daarvoor was het tegenhouden van de opbouw 14-19, 10-14, 5-10 en 19-23x23. Op 12.43-39 14-19 wilde men dan 13.27-21 spelen. Echter met schijf 47 op 49 is dat aanmerkelijk riskanter. De schijf op de kerkhof kan zwaar onder druk gezet worden. Daarmee ontvalt de zin aan 43-39 en 44-39. Want zwart blijft reageren met 14-19. Een nog niet geprobeerd idee is 12.28-23. Na 12...13-18 13.44-39 18x29 14.33x24 20x29 15.39-34 is de oversteek 11-17-21 vervelend.

In mijn studies in damnieuws adviseer ik wit de ontwikkeling van zijn lange vleugel over veld 23. Een geschikt moment lijkt diagram 6. Na 18.28-23 13-18 19.39-34 18x29 20.34x23 8-13 21.44-39 2-8 22.32-28 13-19 23.37-32 26x37 24.42x31 11-17 25.31-26 doet wit weer mee. Weliswaar staat in vergelijking met de daar genoemde varianten staat schijf 1 nog op zijn plaats en is het niet mogelijk via de opmars van schijf 47 het gat op 37 te dichten. Anderzijds lijkt wit op de volgende zet 27-21x21 te kunnen ruilen zonder dat schijf 23 in gevaar komt.

Was in diagram 6 de uitval naar 23 nog een beetje riskant voor wit. In diagram 7 lijkt het een voortreffelijke zet. Door schijf 30 hoeft de aanval tegen de voorpost niet gevreesd te worden. Niets staat de ontwikkeling 32-28, 37-32x31 in de weg. In de partij werd 20.27-22 gespeeld. Met schijf 50 op 47 is dat wellicht een plan. Door de schijf op 30 heeft wit de tijd om de zetten 31-27 en 37-31x31 te spelen gevolgd door het sluiten van veld 37 met krachtige formaties. In deze stand is de ruil 37-31x31 door het ontbreken van schijf 47 nogal riskant.

In diagram 8 ruilt wit met 22.37-31 26x37 23.32x41. Dat staat bekend als vrijwel direct verliezend. Zwart krijgt een kettingstelling en heeft de combinaties maar voor het uitkiezen. Het ruiltje 22.37-31 26x37 23.42x31 is gevaarlijk, maar wit heeft alvast geen last meer van de kettingstelling. Na 23...13-19 24.33-29 20-24 25.29x20 15x24 is er helaas weinig meer te doen tegen de simpele dreiging 19-23 X. Tenslotte is er in dit soort standen wel eens 22.36-31 geprobeerd. Dat lijkt hier een goed plan. Na 22...13-19 23.46-41 1-7 24.41-37 7-12 25.33-29 heeft wit een alleszins redelijke aanvalspositie bereikt.

Wit staat in diagram 9 compleet gevouwen. Als laatste zet heeft hij 38.34-29 gespeeld. Rob dacht snel klaar te zijn met 38...25-30 en kreeg de combinatie 39.29-23; 44-39x39; 27-21x35 om de oren met uiteindelijk remise. Zwart kan vrij gemakkelijk winnen met 38...17-21 39.37-32 21-26 40.42-38 26x37 41.32x41 16-21 42.27x7 18x27 43.7x18 13x42 X.